Overal op voorbereid

14 jun 2005 00:59

NTR • 6 min

Als de vijand op de loer lag, moest je het in een kasteel lang kunnen uithouden. Daarom was het belangrijk om veel water en voedsel in het kasteel te hebben.

In een middeleeuws kasteel was de binnenplaats een hele belangrijke plek. Het was de plaats waar het voedsel was opgeslagen. Ook werden er paarden werden gehouden, geiten, schapen, kippen en duiven. Een aantal bediendes gaf de dieren dagelijks te eten en hield de stallen schoon. Het was in een kasteel heel belangrijk om dieren te houden en veel eten op te slaan. Kasteelbewoners konden namelijk vaak lange tijd niet naar buiten. Dan lag de vijand weer eens op de loer en moesten de poorten dicht blijven. Omdat de muren te hoog en te dik waren om te bestormen, wachtte de vijand gewoon totdat de kasteelheren honger zouden krijgen en zelf naar buiten zouden komen. Hoe meer eten er dus was in het kasteel, hoe langer de kasteelbewoners het konden uithouden. Om tijdens zo'n beleg wapens te kunnen maken, hadden veel kasteelheren hun eigen wapensmederij. Hier werden nieuwe wapens gemaakt en oude gerepareerd. Het was ook belangrijk om in een kasteel genoeg water te hebben. Een waterleiding zoals wij hebben bestond nog niet. Ze leefden vooral van regenwater dat - via gootjes - werd opgevangen in een waterreservoir. Ze vulden ook houten vaten met regenwater. Om vissen in te houden. De belangrijkste plek in een kasteel was wel de keuken. Het eten dat hier iedere dag werd klaargemaakt was vrij simpel. De meeste ridders leefden niet zo luxe en aten hetzelfde als de boeren: linzensoep vaak, of gierstbouillon met brood en wijn. Vlees of vis aten ze alleen bij speciale gelegenheden, bijvoorbeeld als de kasteelheer net terug was van een toernooi of een oorlog. Om het eten lekker te kunnen maken, was er in ieder kasteel een kruidentuin. In die tuin stonden ook kruiden die gebruikt werden als medicijn. De tuin was een soort kasteelapotheek. In de keuken werd niet alleen gekookt. Omdat het er lekker warm was, gingen de mensen hier ook in bad. De boeren die om het kasteel heen woonden, kwamen een paar keer per jaar naar de kasteelheer om gewassen van hun land te brengen. Hoeveel ze brachten, hing af van de grootte van hun akker. En of ze in dienst waren van de kasteelheer of niet. De rentmeester van het kasteel hield goed bij wat de boeren kwamen brengen. Of het nou kippen waren of graan,hij schreef alles op kleine briefjes en plakte die in zijn opbrengstenboek.