Met Flip de Beer

20 jun 2011 22:00

NTR • 4 min

Twee kinderen gaan naar de rommelmarkt. Alle drie krijgen ze drie euro om uit te geven. Voor Flip kopen ze een mooie auto. Ze geven drie euro aan de marktkoopman. Het is precies genoeg! Daarna kopen ze snoep en ook nog een hoepel! Ze vragen bij de draaimolen of ze voor één euro een ritje mogen maken. En dat mag!

Hallo allemaal, vandaag gaan we naar een rommelmarkt. En daar kan je allemaal hele mooie spullen kopen. En… wij hebben elk drie Euro gekregen om iets te kopen! Hallo dames. Hai Flip. Hoi. Hallo. Komen jullie even bij mijn kraampje kijken? Ja. Willen jullie iets leuks kopen voor Flip? Ja. Een olifant. Hoeveel geld heeft Flip om iets te kopen? Drie Euro. Dan kan ik hem misschien wel helpen. Drie Euro heb ik. Drie Euro. Dat is het. Ja. Hmmm, wat is er allemaal voor drie Euro? Misschien dit? Voor vijf Euro. Ja, een autootje! Hij houdt meer van auto’s? Ja! Is Flip van de auto’s? Ja, maar vijf Euro is teveel. Maar ik heb hier een hele mooie auto. Ik houd van auto’s. Hoe vinden jullie die? Oh, die is mooi! Die is wel drie Euro, ik weet niet of dat voldoende is. Ja. Of dat met misschien teveel is. We hebben het wel. Ja, dat hebben we wel! “Drie Euro” staat erbij en dat hebben we ook. Ja! Zou dat kunnen? Ja! Flip, wat wil jij, vind je die auto leuk? Ik vind hem vet cool! Hij vindt die auto leuk hè. Wow! Dan gaan we ‘m kopen toch. Ja, dat doen we! Okay, we gaan de auto kopen. Ga je de auto kopen? Ja! Nou, hartstikke goed. Ik heb nog een mooi zakje voor jullie. Oh, hij wordt van mij! Dat is dan drie Euro. Hier is de drie Euro, voor mij. Even kijken hoor. Houden jullie ‘m even vast? Misschien even tellen nog. Even kijken, één Euro, twee Euro, en drie Euro. Hartstikke goed. Drie, het klopt. Dank jullie wel. Tot ziens. Ja. En bedankt voor de auto hè! Tot ziens. Tot ziens. We gaan toch naar het snoep. Ja, maar eerst deze. Ik ben benieuwd wat Iris en Isa van mijn geld gaan kopen. Daar eerst, daar is het speelding. Eerst gaan we wat snoep kopen! Ja, ze willen eerst snoep kopen. Wat kan je voor één Euro kopen? Een klein zakje snoep. Kunnen we bij jou gaan snoep kopen en van mijn geld… Oh, dat is een goed idee! Ja, dan delen we gewoon het snoep en dan houden we nog geld over voor iets anders. Deze zijn al klaar hè? Ja. Zijn jullie klaar? Ja, maar jij wou toch iets anders kopen? Dan zal ik een knoopje erin doen. Eén Euro. Zoveel snoep voor één Euro? Wow! Nou, bedankt hè! We hebben nog geld over. Hoeveel kost dit? Vijf Euro. Wat zeg je? Vijf Euro. Ik heb maar twee Euro. Ja, dat is te weinig hè. Ik wil een hoelahoep! Oh, die is mooi! Oh, hoeveel heb jij? Ik heb twee Euro. Geef maar, geef maar. Echt waar, mag het voor twee Euro? Zeg maar, geef maar kinderen, wat willen jullie? Hier heb je de hoelahoep. Wow! Ik hoop dat de draaimolen dan maar één Euro kost. Tja, want wij hebben nog maar één Euro over. Want Iris krijgt ook een hoepel voor twee Euro. En ik heb iets gewonnen! Wow, wat kunnen jullie goed onderhandelen, een hoepel voor maar twee Euro! En nu naar de draaimolen! Hai, mogen we hiervoor nog in de draaimolen? Natuurlijk! Daar gaat de laatste Euro. Nu is ons geld op. Wow, een mooie auto en hoepels, en een zak snoep, en ook nog een draaimolen! Tot de volgende keer!