In de achtertuin

21 jan 2010 23:00

NTR • 3 min

Als je een sprinkhaan wilt vangen moet je slim zijn, want voor je het weet springen ze weg!

Hoi, Ik ben Christie, ik ben dol op beestjes, vooral kleine beestjes! Vandaag ben ik op zoek naar een sprinkhaan. Je vindt ze vooral in het gras. In onze tuin zitten er heel veel! Ja! Daar op die grasspriet. Oeps... weg.. Daar is er nog een. En nu oppassen, dat hij niet wegspringt! Ja! Hebbes! Sprinkhanen zien er een beetje gek uit. Dat komt omdat hun skelet niet aan de binnenkant maar aan de buitenkant zit. De kop, het lijf en de poten zijn bedekt met een hard pantser. Met hun lange, krachtige achterpoten kunnen ze grote sprongen maken. Ze hebben ook vier vleugels. Maar erg goed kunnen ze niet vliegen. Als de mannetjes met hun voorste vleugels over elkaar wrijven, maken ze een tsjirpend geluid, dat doen ze om de vrouwtjes te lokken! Sprinkhanen worden verdeeld in twee groepen: de kortsprieten en de langsprieten. Deze heeft vrij korte antennes. ’t Is dus een kortsprietje. Kortsprieten eten alleen planten, langsprieten eten ook insecten. ‘k Zal hem maar terug vrijlaten, dan kan hij nog wat springen. Want erg oud worden ze niet, ze leven maar een jaar. Hup, daaag sprinkhaan!